VELDREGLEMENT

Het veldreglement is een aanvulling op de statuten en bepaalt de gedragsregels voor het vliegen op onze locatie.

1. Veiligheid op en om de locatie waar gevlogen wordt.
Art. 1.1
Ieder lid op op de vlieglocatie is verantwoordelijk voor de veiligheid van zichzelf en andere leden.
Art. 1.2
Het is verboden zelfstandig op de vlieglocatie van de vereniging te vliegen als men niet in het bezit is van het KNVvL Veiligheidsbrevet-A. Als de vlieger niet in het bezit is van een brevet dient hij te allen tijde te vliegen onder toezicht van een instructeur.
Art. 1.3
Gastvliegers dienen een geldig lidmaatschapsbewijs en het Veiligheidsbrevet-A van de KNVvL te overleggen, voordat zij op onze locatie kunnen gaan vliegen. Het begeleidende lid van onze vereniging is verantwoordelijk voor de gastvlieger. De clublidmaatschapskaart van het begeleidende lid dient op de gebruikte knijperpositie te worden geplaatst.
De gastvlieger regeling is alleen toegestaan voor incidentele bezoeken aan ons veld, wordt vaker gebruik gemaakt van onze locatie dan dient de gastvlieger lid te worden van MVC Midden Nederland.
2. Het gebruik van zenders
Art. 2.1
Alvorens te gaan vliegen dient de eerstkomende de frequentieknijperkast te openen en op de plaats van zijn frequentieknijper zijn lidmaatschapskaart te plaatsen.
De cijfercode van de knijperkast is op de lidmaatschapskaart vermeld.
Art. 2.2
Een ieder is verplicht vóór het in gebruik nemen van een zender de desbetreffende frequentieknijper op de zender te plaatsen.
Wanneer er een eigen model wordt beschadigd doordat de juiste frequentie knijper niet gebruikt werd dan is geen verhaal mogelijk op de gebruiker van die frequentie.
Wordt door ongeoorloofd gebruik van een frequentie het vliegtuig beschadigd van een lid die wél met de juiste frequentieknijper vliegt dan bent u volledig aansprakelijk voor eventuele schade aan zijn of haar toestel.
Art. 2.3
Is het vliegtuig op de grond, dan dient men de antenne van de zender ingeschoven te houden. De antenne dient pas vlak voor het opstijgen van het model uitgeschoven te worden.
Art. 2.4
Voor zenders die gebruik maken van de 2,4 GHz band gelden artikelen 2.1, 2,2 en 2.3 niet aangezien deze apparatuur automatisch een vrije frequentie kiest.
Art. 2.5
Het modelvliegtuig / de modelhelikopter mag alleen radiografisch bestuurd worden met apparatuur dat voorzien is van een voor Nederland geldig CE kenmerk.
Art. 2.6
Het is verboden rond de vlieglocatie apparatuur in werking te hebben die van invloed zou kunnen zijn op de frequenties waarmee gevlogen wordt.
3. Vliegtijden en ruimtelijke grenzen
Art. 3.1

Op de toegangsweg naar het modelvliegveld (Ringkade) geldt een maximaal toegestane snelheid van 30 km/uur. (Geef dit ook door aan eventuele introducés). Dit om de bewoners aan deze weg zo veel als mogelijk te ontzien. Overlast geeft klachten!
Op de erfweg geldt een maximum snelheid van 5 km/uur.
Art. 3.2
Op iedere dag van de week is het mogelijk van het model vliegveld gebruik te maken tussen 11.00 uur ‘s ochtends tot een half uur voor zonsondergang; met dien verstande dat het vliegen uiterlijk om 21.30 uur beëindigd moet worden.
Het is niet toegestaan van deze tijden af te wijken zonder nadrukkelijke toestemming van het bestuur.
Met elektromodellen mag vanaf 10.00 uur gevlogen worden.
Art. 3.3
Vliegen is niet toegestaan indien er op de vlieglocatie, in welke vorm dan ook, gewerkt wordt. De werkzaamheden dienen (als dit mogelijk is) 's morgens te worden uitgevoerd, b.v. vanaf 10.00 uur tot ca. 13.00 uur; dit in overleg met het bestuur.
Art. 3.4
De ingestelde HOT LINE loopt denkbeeldig vanaf de hoogspanningsmast in het verlengde van het heliveld rechts tot aan het bosje in het weiland links van de opstelplaats. Over het gebied links en rechts van deze lijn dient niet gevlogen te worden. Een ieder op het veld aanwezig dient erop toe te zien dat deze denkbeeldige lijn tijdens het vliegen met modelvliegtuigen / helikopters niet overschreden wordt.
Art. 3.5
Het is, in verband met de algemene veiligheid van een ieder op en om het veld aanwezig, verboden boven de pits, alsmede boven de kantine of het terrein van de hondenclub, te vliegen. Ook rookoverlast aan de hondenclub dient vermeden te worden.
Art. 3.6
Het start en landingsgebied is alleen toegankelijk voor vliegers en de eventuele assistent of helper.
Art. 3.7
Het dient vermeden te worden om boven, c.q. vlak voor of nabij autosnelwegen, woningen, bezoekers, hoogspanningsmasten, piloten en / of dieren in de weilanden te vliegen. Men dient het model in het gezichtsveld te houden, uiterlijk binnen een straal van 500 meter (rekening houdend met de op het veld geldende beperkingen!).
Er mag niet hoger dan 300 meter gevlogen worden. Overvliegende "echte" vliegtuigen dienen ontweken te worden, d.w.z. men dient ruim uit de buurt te blijven.
Art 3.8
Parkeren naast de pits is niet toegestaan.
4. De modelvliegtuigen
Art. 4.1
Ten aanzien van de geluidsproductie van de gebruikte modelmotoren geldt momenteel de landelijke norm van 80 dBA op 7 meter afstand en 1,2 meter hoog, boven gras. Hiertoe dienen de motoren te zijn voorzien van een goede demper.
Ook toestellen van gastvlieger dienen aan de gestelde geluidsnorm te voldoen.
Art. 4.2
Ieder model dient voorzien te zijn van naam, adres, woonplaats en telefoonnummer van de eigenaar. Dit kan zowel aan de binnen-, als wel aan de buitenzijde van het model.
Art. 4.3
Voor iedere start dient men te controleren of alle functies goed werken.
Art. 4.4
Motoren mag men op de locatie laten inlopen, mits de aanwezigen hier geen hinder van ondervinden (overmatig geluid of stank).
Art 4.5
Keuring van de vliegtuigen en heli's is onderhevig aan de bouw- en vliegervaring. Gewenst is dat onervaren bouwers een nieuw model aan een instructeur aanbieden voor een "zicht" beoordeling van het nieuwe toestel.
5. Gebruik van de opstelruimte voor vliegtuigen (pits)
Art. 5.1
Op de locatie is een strook c.q. opstellingsplaats (pits), waar de modelvliegtuigen bij elkaar dienen te zijn opgesteld, dit geldt eveneens voor de heli's.
Art. 5.2
In de vliegpits dient men de antenne van de zender ingeschoven te houden.
Art. 5.3
Vliegtuigen waarvan de motoren draaien dienen zodanig te zijn opgesteld dat deze niet weg kunnen rijden.
Art. 5.4
Vanuit de opstelplaats wordt met het toestel aan of in de hand naar de plaats van start gelopen. Los taxiën is niet toegestaan.
6. Het vliegen op het hoofdveld
Art. 6.1
Indien er gevlogen wordt dient het start / landingsgebied vrij te zijn van personen en/of obstakels.
Art. 6.2
Een ieder die op het hoofdveld gaat vliegen (en de eventuele helper / lessend lid) dient zich aan te sluiten bij de andere, al op het veld aanwezige, vlieger(s). Dit om de communicatie onderling mogelijk te maken. Ook helikopter piloten die hoog willen gaan vliegen dienen zich bij deze groep aan te sluiten. Op het hoofdveld mogen niet meer dan 7 antennes in de lucht zijn; waarvan maximaal 4 modellen welke door middel van brandstof worden aangedreven. Dit ter voorkoming van de overschrijding van de toegestane geluidsgrenzen.
Art. 6.3
Alvorens de landing in te zetten dient men dit duidelijk kenbaar te maken door "LANDING!" te roepen, na er zich van overtuigd te hebben dat er zich geen personen op het landingsgebied bevinden. Eventuele medevliegers dienen de "ontvangst" van dit bericht te bevestigen. De landing gaat altijd voor een start.
Art. 6.4
Alvorens een low pass te maken dient men er zich van te overtuigen dat er geen personen of dieren in de geplande vluchtbaan aanwezig zijn. Extra aandacht in deze vraagt de helikopterhoek.
Art. 6.5
Bij het oversteken van het veld, tijdens het vliegen, dient men de kortste weg daartoe te nemen. Alleen dan oversteken als de situatie dit toelaat. Men dient duidelijk aan de piloten kenbaar te maken dat men het veld gaat betreden.
7. Het vliegen op het heliveld
Art. 7.1
Voor heli's geldt dat men minimaal 5 meter uit elkaar hoovert en bij voorkeur op de wind. De hoogte van het hooveren mag niet meer bedragen dan de horizontale afstand van het model tot aan de vlieger. Dit met een maximale afstand van 15 meter.
Art. 7.2
Op het heliveld mogen niet meer dan 2 antennes in de lucht zijn.
8. Vlieglessen
Art 8.1
De instructeurcoördinator regelt het lesgeven en het afnemen van de brevetten en bepaalt welke leden instructie mogen geven. De instructeurs worden via de secretaris bij de KNVvL als zodanig geregistreerd. Alle instructeurs zijn tevens gemachtigd examens af te nemen maar niet van hun eigen leerling.
Art. 8.2
De instructeurcoördinator benoemt instructeurs op basis van hun vaardigheden. Daarbij moet de betrokkene minimaal een half jaar in het bezit zijn van een KNVvL-brevet en zelf ook regelmatig op het veld aanwezig zijn. De instructeurcoördinator mag, in overleg met het bestuur, een uitzondering op dit artikel te maken.
Art. 8.3
Instructeurs dienen objectief het model te van hun leerling beoordelen op vliegvaardigheid en vliegveiligheid. Gebreken dienen duidelijk aan de leerling-vlieger kenbaar gemaakt te worden. Na eventuele wijzigingen ter verbetering aan het model, wordt dit opnieuw gekeurd.
Art. 8.4
Beginnelingen krijgen een instructeur toegewezen. Zij onderwerpen zich aan de instructies van de instructeur. Eventuele schade aan het lestoestel kan niet op de instructeur verhaald worden.
Art. 8.5
Ieder lid dient, voorafgaand aan het zelfstandig te gaan vliegen met een model (zonder de begeleiding van een instructeur), af te vliegen voor het KNVvL Veiligheidsbrevet-A. De instructeur kan bij gebleken vliegvaardigheid de leerling laten afvliegen. Twee, door de instructeurcoördinator toegewezen, examinatoren (niet de eigen instructeur) beoordelen de vliegvaardigheid. Na het afvliegen dienen de examinatoren de ingevulde brevet aanvraagformulieren te ondertekenen en aan de secretaris door te geven. Deze verzorgt de verdere administratieve afwikkeling.
Art. 8.6
Nieuwe leden die in bezit zijn van een KNVvL-brevet dienen dit op het inschrijvingsformulier aan te gegeven. Na goedkeuring van de instructeurcoördinator kunnen deze leden zelfstandig gaan vliegen.
9. Algemeen
Art. 9.1
Van ieder lid wordt, in het belang van de algemene veiligheid, verwacht om sociale controle uit te oefen op het naleven van dit reglement :

Spreek bij het niet naleven van dit reglement de betrokkene vlieger aan op zijn gedrag.

Meldt hardnekkig wangedrag aan het bestuur dat, indien nodig, een officiële waarschuwing zal geven.

Begaat men na een tweede officiële waarschuwing toch weer een overtreding dan volgt een schorsing van een week.

Heeft men binnen 12 maanden 2 schorsingen gekregen en men begaat weer een overtreding dan volgt automatisch de een schorsing van 3 maanden. Deze beslissing is bindend. Schriftelijk kan bij het bestuur bezwaar worden ingediend.

Wordt er tijdens een vliegverbod cq schorsing toch gevlogen kan door het bestuur besloten worden om de persoon te ontzetten.

Art. 9.2
Beroep op besluiten zoals vermeld in artikel 27 is mogelijk op de eerstvolgende ALV. Dit beroep dient 14 dagen voor de ALV schriftelijk ingediend te zijn bij het secretariaat.
Art. 9.3
Het veld dient te allen tijde schoongehouden te worden. Materiaal van gecrashte modellen, afval van geconsumeerde artikelen, etc. dienen in de daarvoor aanwezige afvalbakken gegooid dan wel mee terug genomen te worden.
Art. 9.4
In alle gevallen waarin het veldreglement niet voorziet beslist het bestuur of, namens het bestuur, een aanwezige instructeur.

 
 

 


 

 
 
 
 


 

Copyright ©2010
M.V.C Midden Nederland
All rights reserved